ZOEKEN:
Frank Westerman in de bibliotheek
Contact Maarten Spaan   

15572 Westerman_Stikvallei20kleinDe schrijver van ondermeer De graanrepubliek en Ararat heeft een nieuw boek geschreven: Stikvallei. Op donderdag 21 november komt Westerman naar de Amstelland Bibliotheek om te vertellen over zijn nieuwe boek, dat zeer goed is besproken in diverse media. Om u alvast lekker te maken, hier een link naar een interview in DWDD. En achter lees meer een zeer goed geschreven artikel van Bert Wagendorp over het fenomeen Westerman in de Volkskrant van 26 oktober 2013. Kaarten voor 21 november zijn online te bestellen, betalen doet u eenvoudig met iDEAL.

Waargebeurd, ingekleurd Narratieve journalistiek: de methode-Westerman 26-10-2013 – Volkskrant- Bert Wagendorp

Frank Westerman sluipt in al zijn boeken met een vergrootglas door de wereld. Bert Wagendorp las Stikvallei en prijst een groot Europees auteur.

Op 21 augustus 1986 doet zich in een kratermeer in het dunbevolkte noordwesten van Kameroen een merkwaardig en zeldzaam verschijnsel voor. Een immense hoeveelheid kooldioxide komt uit het water omhoog en vormt een wolk die, omdat CO2 anderhalf keer zwaarder is dan lucht, afzakt naar de Nyosvallei aan de voet van de vulkaan. Daar sterven - stikken - volgens de officiële telling binnen korte tijd 1.746 mensen, 3.952 koeien, 552 geiten, 82 honden, 7 paarden, 3.404 kippen, 337 schapen, 8 katten en 2 ezels. Als de eerste hulpverleners de vallei binnengaan, valt het ze op dat er geen vliegen zoemen rond de lijken en kadavers. De vliegen zijn ook allemaal dood.

Op 25 augustus wordt de wereld op de hoogte gesteld van de ramp in wat de 'dodenvallei' zal gaan heten. In Nederland kijkt die dag de 21-jarige Frank Westerman, student Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen, naar het Journaal. Dat toont de eerste beelden: veel groen en dode koeien. Hij is meteen geïntrigeerd: wat is er gebeurd? Maar Frank Westerman is student en geen journalist.

Met 'Wat is er gebeurd?' heeft hij wel de vraag geformuleerd die hem onherroepelijk in die richting zal voeren en uiteindelijk terug naar de dodenvallei. Hij komt er voor het eerst, voor de VPRO-radio, in 1992 en keert bijna twintig jaar later terug. Het verhaal van de zoektocht - en het verhaal van het verhaal - staat in Stikvallei, zijn zevende boek sinds De brug over de Tara uit 1994 - Het zwartste scenario, het boek over de val van Srebrenica dat hij schreef samen met Bart Rijs, niet meegerekend.

Frank Westerman (Emmen, 1964) was van 1992 tot eind 1994 correspondent van de Volkskrant in het voormalige Joegoslavië en daarna, van 1997 tot 2002, correspondent in Moskou voor NRC Handelsblad. Daarvoor had hij de val van de Roemeense dictator Ceaucescu verslagen en gefotografeerd voor Trouw.

De brug over de Tara, zijn verslag van een zoektocht naar 'de Balkanmens', begint zo: 'We rookten die avond Arabische sigaretten van het merk Hollywood en dronken koffie uit een fildzan, een Turks kopje zo groot als een vingerhoedje.' De beginzin van een roman: de keuze was gemaakt. Westermans voorkeur ging uit naar een andere vorm van journalistiek dan die van de krant.

In Moskou voltooide hij het boek waarmee hij zijn naam zou vestigen, De graanrepubliek. In dat boek uit 1999, waarvan inmiddels meer dan honderdduizend exemplaren zijn verkocht, beschreef hij de teloorgang van de landbouw in Oost-Groningen en het leven van Sicco Mansholt, de Oost-Groningse boerenzoon die stevig bijdroeg aan de lijkzang van miljoenen kleine Europese boeren. De kritieken waren juichend.

In het begin van De graanrepubliek stelt Westerman ons de dramatis personae van het verhaal voor: de herenboer, de communist, de landbouwcommissaris en, als vierde, de verteller - Frank Westerman. Die schrijft in de verantwoording dit: 'Het verhaal dat ik met het mij toevertrouwde materiaal heb geschreven staat niet los van mij. Niets is verzonnen, maar alles is gekleurd: het is een selectie van wat mij heeft geboeid, verbaasd of ontroerd. Mijn trofeeën heb ik zo gerangschikt en belicht dat ik er - zoals een museumdirecteur met zijn tentoonstelling - een eigen verhaal mee vertel.'

Niets is verzonnen, alles is gekleurd: het wordt het credo van Westermans oeuvre. Hij zoekt waargebeurde verhalen, 'maar dat betekent niet dat ik niet herschep'. Westerman is een journalist die bewust subjectief is, die zich het recht voorbehoudt de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Hij schrijft 'literaire non-fictie' - een ongelukkige term omdat die veronderstelt dat er ook zoiets als 'non-literaire non-fictie' bestaat, of 'literaire fictie'.

Maar wat schrijft Westerman dan wel?

In de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 12 januari 2009 komt Hans Christoph Buch er niet uit. 'Der Name Frank Westerman steht für eine neue Art von Literatur', schrijft hij, 'waarvoor in het Duits nog geen passende term bestaat, in tegenstelling tot de Angelsaksische of Romaanse wereld, waar de grens tussen fictie en non-fictie sinds lang minder gesloten was dan bij ons. De boeken van Westerman (...) pendelen tussen journalistiek en literatuur, tussen non-fictie en roman, zonder helemaal in een van deze categorieën op te gaan.' Buch probeert het met 'Faktenliteratur' of 'Tatsachenroman', maar ook die termen omschrijven volgens hem het karakteristieke van Westermans schrijven onnauwkeurig. Voorbeelden dan maar: Chatwin, Kapuscinski, Le Clézio: 'nomadische schrijvers' die zich van grenzen tussen de genres niks aantrekken.

Met de Poolse journalist Ryszard Kapuscinski zit Buch in elk geval goed. Nadat hij op de middelbare school al kennis had gemaakt met Truman Capote en Tom Wolfe en hun 'New Journalism', ontdekte Westerman iets later Kapuscinski, de journalistieke superster van de jaren tachtig. Wie in die tijd journalist wilde worden, zag zichzelf al in de voetsporen van de Pool treden. Kapuscinski was in 1984 in Nederland doorgebroken met De keizer: macht en ondergang van Ras Tafari Haile Selassie. Na De Sjah aller Sjahs (1986) verscheen twee jaar later Nog een dag, over de burgeroorlog in Angola na het vertrek van de Portugezen. Frank Westerman las het hardop om te kunnen begrijpen waarom hij het zo mooi vond.

Een jaar later vertrok hij naar Roemenië. Nog niet als de literair non-fictieschrijver, maar de bedoeling was duidelijk. Ingenieur Westerman werd geen tropisch landbouwconsulent maar, via een omweg langs de traditionele journalistiek, journalistiek schrijver.

Van Kapuscinski heeft Westerman geleerd grote ontwikkelingen te laten zien aan de hand van kleine details en zo abstracte politieke processen te concretiseren. Net als bij Kapuscinski bewegen de ervaringen van Westermans personages zich langs de lijnen van de grote geschiedenis, waardoor die geschiedenis opeens menselijk wordt. De werkwijze is zeer documentair - dat Dier, Bovendier pas het eerste boek van Westerman is waarvan een documentairefilm in de maak is, is merkwaardig: in al zijn boeken zit een roaddocu verborgen.

In de genredefinitie deed Westerman zelf ook een duit in het zakje. Toen hij in 2005 de Gouden Uil won met El Negro en ik, stelde hij in zijn dankwoord voor om maar meteen het hele onderscheid tussen fictie en non-fictie naar de schroothoop van de geschiedenis te verwijzen en voortaan te spreken van 'frictie' en 'non-frictie': boeken die ons prikkelen en even uit het lood slaan en boeken die ons koud laten. Het rigide idee bleek niet levensvatbaar, al viel er natuurlijk iets voor te zeggen.

Toen Tom Wolfe in 1973 het boek The New Journalism publiceerde, bloemlezing en manifest van een nieuwe journalistieke vorm (met verhalen van onder meer Gay Talese, Truman Capote, Michael Herr, George Plimpton, Norman Mailer en Hunter S. Thompson), had hij het niet over 'literaire non-fictie'. Volgens Wolfe was de nieuwe journalistiek - die overigens wortels had tot in de 19de eeuw -gewoon 'de belangrijkste literatuur die nu in Amerika wordt geschreven'. Literatuur dus, zonder toevoeging. The New Journalism gebruikte, in de woorden van Talese, 'the fictional current that flows beneath the stream of reality'. De verbeelding losgelaten op de werkelijkheid met, zeker in het geval van Talese, wonderschone resultaten. Lees bijvoorbeeld The Silent Season of a Hero of Frank Sinatra Has a Cold.

De nieuwe journalistiek beleefde in het eerste decennium van deze eeuw een heropleving. Schrijvers als Jon Krakauer (Into the Wild), Michael Lewis (Moneyball) en Eric Schlosser (Fast Food Nation) maakten het genre definitief los van noties als 'roman', 'non-fictie' of hybride tussenvorm. Ze schreven hun bestsellers zonder zich druk te maken over de vraag hoe ze die moesten plaatsen binnen de aloude categorisering. Nog meer dan hun illustere voorgangers stelt de nieuwe generatie journalistieke schrijvers zichzelf centraal. Ze zijn niet in de eerste plaats journalist of schrijver, maar acteur in hun eigen waargebeurde, maar wel naar eigen inzichten gekleurde verhaal.

De stroming moest een naam hebben: dat werd, op voorstel van Robert Boynton, journalist en docent journalistiek aan New York University, New New Journalism. Met grote regelmaat zijn er juweeltjes van NNJ te lezen in periodieken als The Atlantic Monthly, The New Yorker en The Nation: het genre bloeit en groeit. Bij ons doet sinds een paar jaar het Initiatief Narratieve Journalistiek Nederland (INJN) zijn best de beginselen van de nieuwe nieuwe journalistiek te verbreiden. 'Narratieve journalistiek': mooi gevonden. Geert Mak geldt met Hoe God verdween uit Jorwerd als de peetvader, Frank Westerman als de krachtigste stem. Maar ook Joris van Casteren (Het been in de IJssel, Lelystad), Annejet van der Zijl (Een dag om nooit te vergeten) en Judith Koelemeijer (Het zwijgen van Maria Zachea, Hemelvaart) zijn exponenten van een genre dat steeds meer en betere beoefenaars krijgt én dat steeds meer lezers vindt. De Vergelding van Jan Brokken is het laatste bewijs van de verhalende én commerciële kracht ervan. Opmerkelijk is overigens dat de 'narratieve journalistiek' wel de boekenwereld verovert, maar nog maar amper een voet aan de grond krijgt in kranten en tijdschriften.

Het was voor Westerman commercieel gezien verleidelijk geweest om na het succes van De graanrepubliek opnieuw een Nederlands thema te kiezen. Maar hij had daar andere ideeën over: zijn volgende vijf boeken spelen (grotendeels) buiten Nederland. Hij schrijft toevallig in het Nederlands, maar dat is voor hem geen reden om ook wat onderwerp betreft binnen de taalgrens te blijven. Dat heeft hem tot een grote Europese auteur gemaakt.

Na De Graanrepubliek volgde Ingenieurs van de ziel. In dat boek treedt hij in de voetsporen van de schrijvers die onder Stalin diens megalomane waterbouwkundige werken bezongen. Het boek is een wonderlijk amalgaam van reisverslag, geschiedenis, journalistiek onderzoek en persoonlijk wedervaren van de auteur. Met Ingenieurs van de ziel brak Westerman internationaal door. Van zijn boeken zijn inmiddels bijna veertig vertalingen verschenen in achttien talen.

Met El Negro en ik, uit 2004, vervolgde Westerman, inmiddels fulltimeschrijver, de zoektocht naar de werkelijkheid achter de direct waarneembare. Wie was El Negro, de opgezette zwarte man in een klein museum in de Pyreneeën, waar hij als 19-jarige jongen naar keek? Behalve een journalistieke zoektocht is het boek ook een zelfonderzoek naar de plannen die Westerman ooit had om ontwikkelingswerker te worden, naar zijn denken over ras en identiteit. Westerman beoefent een nauwkeurige en gedetailleerde vorm van onderzoeksjournalistiek - elke vondst kan een nieuw licht werpen op de waarheid, elk detail kan een vingerwijzing zijn. In al zijn boeken sluipt hij met een vergrootglas door de wereld, op zoek naar aanwijzingen en sporen. Iedereen die hem verder kan helpen, onderwerpt hij aan een streng verhoor. En de lezer wordt op de hoogte gehouden van elke vordering in de naspeuringen - en wat die doen met de auteur zelf.

Het duidelijkst is dat in Ararat, uit 2007, Westermans meest persoonlijke boek. Behalve dat hij een poging doet de berg te beklimmen waarop volgens de mythe de Ark van Noach strandde, is Ararat ook een zoektocht naar de verhouding tussen geloof en wetenschap, theologie en geologie, feit en fictie. Niet om zijn protestantse opvoeding definitief bij het grofvuil te zetten overigens, Westerman begint zijn speurtochten altijd met een open geest. In Ararat gaat hij op zoek naar de God van zijn kinderbijbel en hij sluit niet bij voorbaat uit dat hij hem zal vinden - wat overigens niet gebeurt. Maar hij is geen koele rationalist. 'Als schrijver kan ik niet zonder magie, zonder mythe.'

Ararat wordt gevolgd door Dier, bovendier, een boek dat pas in de Engelse vertaling de titel kreeg die het verdiende: Brother Mendel's Perfect Horse. Dier, bovendier is een fascinerend staaltje Europese geschiedschrijving aan de hand van het lippizaner paard. Niet de meest voor de hand liggende drager van een verhaal, maar Westerman slaagt er glansrijk in de lezer mee te nemen naar onbekende verten op de rug van de witte koningspaarden. In Dier, bovendier blijkt hoe de verhalende kracht van de werkelijkheid die van de verbeelding ver kan overstijgen. Het verhaal van de lippizaners had zich niet op geloofwaardige wijze laten verzinnen. Het is louter acceptabel, omdat het waar is gebeurd, en dat weten we omdat Westerman voor ons de feiten heeft gecheckt.

Je zou kunnen zeggen dat Frank Westerman in Stikvallei, dat komende week verschijnt, een eindpunt bereikt. Het is een fascinerend boek geworden over een intrigerende natuurramp, maar eigenlijk over iets anders: hoe ontstaan mythes? In die zin is Stikvallei een metaverhaal, een dubbel metaverhaal zelfs, want het gaat ook, al dan niet bewust, over de wijze waarop hij zijn boeken schrijft.

Westerman, altijd op zoek naar het verhaal achter de werkelijkheid, neemt nu de mythevorming zelf als onderwerp. Wat is er met het naakte verhaal van de uitbarsting gebeurd? Welke mythes zijn er geweven om de wrede werkelijkheid te duiden, te verklaren, te rechtvaardigen? Het boek is onderverdeeld in drie hoofdstukken: Mythedoders, Mythebrengers, Mythemakers.

De Mythedoders zijn de wetenschappers. Zij willen verklaringen en zoeken methodes om herhaling te voorkomen. Maar dat betekent niet dat de conclusies altijd gelijk zijn: Westerman beschrijft het verbitterde wetenschappelijke gevecht tussen vulkanologen over wat er nou precies is gebeurd en waardoor.

De Mythebrengers zijn de westerse christelijke missionarissen en evangelisten die in de uitbarsting meer willen zien dan louter natuurgeweld, en die hem verbinden met hun eigen christelijke mythes. 'Dit is het werk van Satan. Al mijn christenen zijn dood', schrijft de Nederlandse missionaris die als een van de eersten in het rampgebied arriveert in een brief. Opmerkelijk personage is Father Anthony, geestelijke en als jongeman een van de weinige overlevenden in de dodenvallei. Dat wonder, meent hij, geeft de gebeurtenis een doel.

Tot slot komen de mythemakers, de Afrikanen zelf. De vulkanoloog zoekt naar de oorzaak, zegt de Kameroenese professor en auteur Bole Butake, die over de ramp het toneelstuk Lake God schreef. 'De Afrikaan zoekt naar een reden.' Westerman vindt de eerste aanzetten voor de mythevorming in het verhaal over een nucleaire proef in het meer, door de Fransen of de Israëliërs, in de complottheorie waarin dictator Paul Biya de Engelstalige bevolkingsgroep zou willen uitroeien.

De driedeling van Stikvallei laat ons tevens zien hoe Westerman ons nu al bijna twintig jaar zijn werkelijkheden presenteert. Hij is de mythedoder, die ons sterk gedocumenteerd de feiten presenteert, hij is de mythebrenger die het skelet van de historische werkelijkheid van verhalen voorziet en hij is de mythemaker, die in verhalen zoekt naar een achtergrond, een reden voor de gebeurtenissen.

Stikvallei is de zevende parel aan de kroon van Frank Westerman, schrijver van literatuur, ergens in het grensgebied tussen waarheid en verdichting, waarneming en interpretatie - zoals alle schrijvers.